Oranjevereniging Veere

Juliana en Bernhard

Op 18 augustus 1950 kwamen koningin Juliana en prins Bernhard tijdens hun rondreis door Zeeland naar Veere. Om kwart over zes ’s middags arriveerde het jacht Piet Hein bij de steiger achter de Campveerse toren, waar Veere’s Genoegen en de schoolkinderen de Piet Hein Rapsodie speelden en zongen. Dit op verzoek van burgemeester jhr. I.F. den Beer Poortugael die vond dat het koninklijk gezin nu eens niet met het altijd gespeelde Wilhelmus verwelkomd moest worden. Nadat de Piet Hein was afgemeerd en de koninklijke gasten voet aan wal hadden gezet, bood de 11-jarige zoon van de burgemeester bloemen aan, terwijl Suusje Douw voor de prinsessen Zeeuwse babbelaars had meegebracht. Prins Bernhard tenslotte kreeg van de oudste dochter van de burgemeester een boek over Walcheren aangeboden. Vervolgens sprak de burgemeester een welkomstwoord uit, waarbij hij de hoge gasten vertelde, hoe op 19 mei 1747 Willem Karel Hendrik Friso op dezelfde plaats ook voet aan wal had gezet. Daarna stelde hij de leden van de gemeenteraad en de secretaris voor. Onder de Campveerse toren door begaven koningin en prins zich vervolgens naar de Kaai, waar een auto klaar stond om hen door het stadje te rijden. Bijzonder aardig vond Juliana het grote bord voor de ingang van de Campveerse toren, waarop te lezen staat: ‘Veerhuys en Stadsherberghe’. Als eerste bezocht de koningin het bejaardenhuis Het Godshuis in de Kerkstraat, waar juffrouw Kesteloo haar namens de bewoners bloemen aanbood. Vervolgens begaven Juliana en Bernhard zich onder de beiaardklanken van stadsbeiaardier Jan Kwist naar het stadhuis. In de hal had de burgemeester de door zijn vader geschilderde stamboom van het Huis van Oranje neer laten zetten. Omdat de stamboom geschilderd is in 1936 en Bernhard toen nog niet met Juliana was getrouwd, moest de burgemeester zich tegen de prins verontschuldigen met de woorden: ‘Ja, hoogheid, u staat er nog niet op’, waarop de prins zeer ad rem en snedig antwoordde: ‘Inderdaad, toen was ik nog niet getrouwd’. Volgens traditie volgde hierna de heildronk op het welzijn van de stad. De beker van Maximiliaan van Bourgondië was daarvoor op een beige kleed op het midden van een tafel neergezet, de deksel ernaast en gevuld met twee liter heerlijke chablis. ‘Majesteit, wilt u ons thans het genoegen doen om de erewijn te drinken uit deze beker?’ vroeg de burgemeester. Juliana keek erin en zei: ‘Toch niet ad fundum burgemeester!‘, waarop deze antwoordde: ‘Majesteit, dat zou niet ongepermitteerd zijn, maar u moet nog verder reizen’. Nadat ook de prins een flinke teug van de kostelijke wijn had genomen, keek hij beteuterd naar ‘le beau reste’ en vroeg wat hiermee zou gaan gebeuren. De burgemeester antwoordde: ‘Hoogheid, de raadsleden stellen zich voor de rest op uw beider gezondheid te consumeren’. Na het interieur van de raadzaal bezichtigd te hebben, was het tijd om per auto naar de sluis te gaan, waar de Piet Hein inmiddels was geschut en gereed lag om de koninklijke gasten naar Middelburg te vervoeren.