Oranjevereniging Veere

Koning Willem I

De Franse Tijd was voor Veere desastreus. In 1798 kwam een eind aan de bloeiende handel met Schotland, in 1808 werd de stad geteisterd door een grote overstroming, het jaar daarop vond de Engelse beschieting plaats en van 1811 tot 1814 hebben de Fransen er flink huis gehouden. Schade-uitkeringen werden toegezegd, maar zijn nooit uitbetaald. De stad was na het vertrek van de Fransen bankroet en had inmiddels een schuld van fl. 37078,- . Ze was niet meer in staat haar economie op te bouwen en moest bij particulieren leningen afsluiten om het gemeentepersoneel te kunnen betalen en de gebouwen te onderhouden. Binnen een halve eeuw werd meer dan een kwart van alle huizen gesloopt en het inwoneraantal gehalveerd. De domeingoederen werden verkocht, en op de molen na, vielen ze allen ten prooi aan de slopershamer. De pracht en praal waarmee in de eeuwen daarvoor de markiezen waren ingehuldigd was voorgoed voorbij. Verschillende malen deed het gemeentebestuur een beroep op de koning om de noodlijdende stad te helpen, maar tevergeefs. Koningin Wilhelmina was de eerste die op het eind van de 19e eeuw een gift deed om het automatische speelwerk van het carillon weer gangbaar te maken en later droeg ze ook een steentje bij aan de restauratie van het stadhuis.
Het eerste koninklijk bezoek aan Zeeland na de Franse Tijd vond plaats op 11 en 12 september 1814. Op de eerste dag arriveerde koning Willem Frederik om elf uur in Vlissingen. Na bezichtiging van deze stad vertrok hij naar Middelburg waar hij in de Abdij overnachtte. De volgende morgen bracht hij een kort bezoek aan Arnemuiden en Veere. Na zijn vertrek vond de herbergier van de Campveerse toren ‘op de beste kamer’ een brief die een lid van de hofhouding daar had achtergelaten. Door bemiddeling van de burgemeester en de gouverneur van de provincie werd hij weer bij de rechtmatige eigenaar terugbezorgd.
Op 13 juni 1823 bracht Willem Frederik een tweede bezoek aan Veere tijdens een rijtoer over het eiland Walcheren. Hij werd daarbij vergezeld door de gouverneur van de provincie en enkele hooggeplaatste militairen. Enkele als lansiers uitgedoste landlieden te paard reden de rijtuigen van de koning tegemoet. Bij de buitenste barrière van de Zanddijkse poort werd de vorst opgewacht door de gemeenteraad. Na een korte toespraak bood de burgemeester hem de sleutels van de stad aan, waarna de tocht werd vervolgd. Een aantal burgers met vlaggen begeleidde de stoet tijdens de rit door de stad. Sommige huizen waren versierd, op enkele plaatsen waren erebogen opgericht en alle inwoners hadden de vlag uitgestoken. Aan weerszijden van de straten waar de rijtuigen doorreden stond de schutterij opgesteld. Onder het spelen van het carillon begaf de stoet zich naar het huis van de burgemeester, waar de koning uitstapte en naar binnenging. Vier meisjes boden hem daar met een toespraakje op rijm een lauwerkrans en erewijn aan. Na audiëntie verleend te hebben aan een aantal vooraanstaande burgers en officieren van de schutterij en het garnizoen, begaf de vorst zich naar het Provinciaal Bedelaars Werkhuis dat in de Grote Kerk was gevestigd. Na bezichtiging hiervan keerde hij terug naar Middelburg. Tot aan de gemeentegrens werden de rijtuigen begeleid door de boeren te paard.
Hoewel de Veerenaren zich in augustus 1841 verheugd hadden op de komst van koning Willem II tijdens zijn reis door Zeeland, bezocht hij deze stad niet. Het zou tot 1862 duren voordat weer een lid van het Oranjehuis voet op Veerse bodem zou zetten.