Oranjevereniging Veere

Onenigheid over de opvolging

Willem III overleed kinderloos op 19 maart 1702. Bij testament erfde diens achterneef Johan Willem Friso het markizaat, doch er ontstond een probleem toen ook koning Frederik I van Pruisen er recht op meende te hebben omdat hij een directe afstammeling van Willem van Oranje was. Frederik Hendrik had namelijk in zijn testament bepaald dat wanneer zijn geslacht in de mannelijke lijn zou uitsterven, de erfenis zou toekomen aan de nakomelingen van zijn oudste dochter Louise Henriëtte, waarvan Frederik I een kleinzoon was. Toen Johan Willem Friso zich op 4 juli 1711 naar Den Haag begaf om een bijeenkomst over deze erfkwestie bij te wonen, is hij in het Hollands Diep verdronken. Zo’n dertig jaar heeft deze kwestie geduurd. Pas in 1732 vond de verdeling van de erfenis plaats en kreeg Willem Karel Friso, de zoon van Johan Willem Friso, het markizaat toebedeeld. Doch intussen was er weer een nieuw probleem ontstaan. Om de invloed van Oranje te beperken, was in 1723, tijdens het tweede stadhouderloze tijdperk, een voorstel in de Staten van Zeeland aan de orde geweest om het leen te ontbinden door het markizaat op te heffen, zodat de prins geen vertegenwoordiging meer in de Staten zou hebben. Deze ‘devassalage’ kreeg de goedkeuring van de Staten en werd meteen dat jaar ingevoerd. Voordat Willem IV – zoals men Willem Karel Hendrik Friso noemde – ingehuldigd kon worden, moest dus eerst die devassalage ongedaan gemaakt worden. Ondanks hevige protesten van de prins zou dat nog zestien jaar duren. Pas in 1747 kwam een eind aan het stadhouderloze tijdperk, toen tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog de Fransen Staats-Vlaanderen bezetten, waardoor Zeeland zich bedreigd voelde. Nadat onder andere Veere zich in de nacht van 24 op 25 april voor de prins had verklaard, werd Willem IV enkele dagen later in Middelburg door de Staten van Zeeland tot stadhouder en kapitein-generaal uitgeroepen. Hierna herriepen de Staten de devassalage en werd Johan Willem Friso bij contract van 30 mei 1748 alsnog erkend als markies van Veere en Vlissingen. Op 1 juni 1751 werd hij met veel pracht en praal in Veere ingehuldigd.
Na het overlijden van Willem IV op 22 oktober 1751 ging het markizaat over op de nog minderjarige Willem V. Na het bereiken van de 18-jarige leeftijd werd hij op 28 mei 1766 in Veere als markies ingehuldigd.
Na de inval van de Fransen in 1795 werden alle bezittingen van Willem V verbeurd verklaard. De prins vluchtte naar Engeland, waarmee definitief een eind kwam aan de vertegenwoordiging van de markies in de Staten van Zeeland. In oktober 1801 verhuisde Willem V naar zijn vorstelijk domein Oraniënstein, gelegen tussen de Nassause steden Limburg en Dietz, waar hij op 9 april 1806 is overleden. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Willem VI, die op 2 december 1813 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam als soeverein vorst werd ingehuldigd. Na de Franse Tijd zijn achtereenvolgens markies of markiezin van Veere geweest: Willem I (1813 – 1840), Willem II (1840 – 1849), Willem III (1849 – 1890), Wilhelmina (1890 – 1948), Juliana (1948 – 1980) en Beatrix (1980-heden).