Oranjevereniging Veere

Prins Willem IV

Vanwege een erfkwestie en het stadhouderloze tijdperk kon pas op 1 juni 1751 na 163 jaar eindelijk weer een markies in Veere worden ingehuldigd. Met de voorbereidingen begon men al in januari. Een aantal Marktbewoners boden spontaan aan twee of drie erepoorten te laten maken die bij de inhuldiging in de stad geplaatst konden worden. Het stadsbestuur voorzag hen van hout en betaalde het schilderwerk. Veere’s oudste predikant Andreas Andriessen ontwierp de zinnebeelden en zinspreuken die Pieter Beukels uit Brugge erop moest aanbrengen. Uiteindelijk kwamen er tien in de stad te staan, waarvan burgemeester Verelst er één van voor zijn rekening nam. Deze kwam bij het stadhuis en ’s avonds ontstak men daar het vuurwerk. Omdat de pui van het stadhuis in een slechte staat verkeerde werd hij vervangen door het huidige Lodewijk-XIV bordes.
Op 21 mei verschenen de jachten van de prins op de rede van Veere, waarop één der burgemeesters zich erheen liet varen om hem te verwelkomen. Hoewel de magistraat een koets in gereedheid had laten brengen, besloot de prins toch zijn reis per schip te vervolgen. De dag erna nam hij in Middelburg met enkele leden van het stadsbestuur het programma door en werd de eed opgesteld.
De dag van de inhuldiging lagen de schepen in de haven ‘in gevoeglyke orde gerangeert’ en vanaf bijna alle huizen, het stadhuis, de Grote Kerk en de Campveerse toren wapperden vlaggen en wimpels. Om tien uur gingen tamboers de stad door om de burgerij op te trommelen naar de Markt te komen. Daar werd een laatste instructie gegeven, waarna iedere compagnie zich naar de aangewezen plaats begaf. Die van het oranjevaandel stelde zich op bij de hoofdingang van de Grote Kerk, de compagnie van het blauwe vaandel op de Kaai vanaf de brug tot aan de Markt, en die van het witte vaandel vanaf de Markt tot aan de Campveerse toren.
Om 12 uur vertrok de magistraat met zeven koetsen vanaf het stadhuis naar het plein bij de Zanddijkse poort. Zodra de rijtuigen van de prins in zicht kwamen begonnen de klokken te luiden. Bij aankomst werd de prins met een korte toespraak door één der burgermeesters begroet en kreeg hij in een rood fluwelen zak de sleutels van de poorten en de haven aangeboden. Intussen speelden tussen de torentjes op de poort enige muzikanten. Nadat deze ceremonie was volbracht voegden de koetsen van de magistraat zich bij de stoet die daarmee uit achttien rijtuigen bestond. Deze begaf zich via de Wijngaardstraat, de Kaai, de Vismarkt en de Oudestraat naar de Markt. Onderweg passeerde men de tien opgestelde erepoorten. De prins was gezeten in een kostbare paradekoets getrokken door zes paarden. De beiaardier bespeelde het carillon en bij het stadhuis zorgden enige muzikanten voor een vrolijke noot.
Toen Willem IV bij het stadhuis uitstapte klonken vanaf de wal 21 saluutschoten. De bevolking juichte en vele keren klonk het ‘Vivat Oranje!’. Nadat de prins door burgemeester Verelst op het stadhuis was ontvangen, vond om drie uur de eedaflegging op het bordes plaats. Hierna was er voor enkele vooraanstaande burgers gelegenheid de prins met het markgraafschap te feliciteren. Vervolgens begaf hij zich met zijn gevolg en de vele genodigden naar de Campveerse toren waar door het stadsbestuur een maaltijd werd aangeboden. Op het eind hiervan liet de prins gouden en zilveren gedenkpenningen aan de aanwezigen uitdelen en vanuit een venster van het stadhuis werden er ook in het publiek geworpen. Om tien uur begaf het gezelschap zich naar de Markt voor het bezichtigen van het vuurwerk. Aan de huizen waren lantaarns en kaarsen bevestigd, vele beschilderd in de kleuren oranje, wit, blauw. Na ongeveer drie kwartier was het vuurwerk afgelopen en keerde de prins terug naar Middelburg.