Oranjevereniging Veere

Willem van Oranje en het markizaat

Willem van Oranje en het markizaat

Veere en Vlissingen werden in 1555 markizaatsteden nadat Karel V Maximiliaan van Bourgondië, heer van beide steden, in de markiezenstand had verheven als dank voor zijn bewezen diensten. Na het overlijden van Maximiliaan in 1558 liet hij zijn erfgenamen grote schulden na. Dit was er de oorzaak van dat het markizaat op 12 april 1567 moest worden verkocht. Koper werd Jacob van Bossu, heer van Auxy, die het korte tijd later overdroeg aan Filips II.
Omdat Filips na 1572 de jaarrenten, die op het markizaat waren gevestigd, niet meer betaalde, verzochten de crediteuren in 1581 de steden opnieuw te mogen verkopen. Dit vond plaats op 29 juni 1581 op een veiling in Den Haag. Het hoogste bod kwam van Willem van Oranje, die voor fl. 168.600 de nieuwe eigenaar werd. Behalve de steden Veere en Vlissingen omvatte het markizaat het slot Zandenburg, de heerlijkheid van Vrouwenpolder, de stad en vrijheid van Domburg en de ambachtsheerlijkheid van Zanddijk. Op 10 augustus van datzelfde jaar werd de prins in Veere ingehuldigd, waarbij ook zijn vrouw Charlotte de Bourbon aanwezig was. Van het stadsbestuur kreeg het prinselijk paar zes verguld zilveren dekselschalen met ingegraveerde wapens. Ze wogen samen ongeveer 7,65 kilogram en hadden de stad £ 170 : 17 : 2 groten Vlaams gekost.
Eén van de belangrijkste voorrechten van het markizaat was dat de prins zich als ‘Eerste Edele’ in de Staten van Zeeland mocht laten vertegenwoordigen. Daarnaast hadden de steden Veere en Vlissingen ook ieder een eigen zetel in dit bestuurscollege. Omdat de leden van de magistraat door de prins werden benoemd, kreeg hij hierdoor veel invloed in de Statenvergadering. Dit tot groot ongenoegen van de Zeeuwse adel, die zich herhaaldelijk hiertegen verzette. Het markizaat leverde de prins veel inkomsten op, onder andere uit de wijn- en bieraccijnzen, de haringtol, de kraan, het veer op Noord-Beveland, de waag, de molens, de vistol en de stadhuiskelders. Hier stond tegenover dat hij het onderhoud aan de vesting- en zeewerken voor zijn rekening nam.